Aandacht voor diversiteit

Als lerarenopleider heb je consequent aandacht voor diversiteit in de groep.

  • Op basis van gesprekken en observaties probeer je een genuanceerd beeld te vormen van je studenten.
    --

    Het risico bestaat om oordelen te vellen en meningen te formuleren die niet berusten op kennis, maar op vooroordelen die ontstaan door gewoonte en door wat je om je heen ziet of hoort. Al te gemakkelijk worden groepen mensen of individuen van een groep bepaalde eigenschappen toegeschreven op basis van stereotyperingen en veralgemeningen. Om anderen te leren kennen, is het belangrijk om mezelf bewust te worden van de vooroordelen en veralgemeningen die bij je leven en ze proberen bij te sturen.

    Mijn eigen houding en ingesteldheid is belangrijk om de diversiteit van studenten beter te benutten. Dit betekent dat ik uitga van het principe van “breed observeren” wat inhoudt dat ik oog heb voor de ervaringen en zienswijzen van de studenten. Dit kan door:

    • Het bekijken van studenten als “individuen” (eerder dan als lid van één of andere groep).
    • Het bewust kijken naar de verscheiden leefwereld van studenten.
    • Het kijken naar wie studenten zijn en hoe ze dagelijks met elkaar omgaan.
    • Het gericht zoeken naar kwaliteiten van studenten.
    • Het kijken naar wat voor de studenten zelf belangrijk is in welke situatie.

    Bij de start van het academiejaar voer ik kringgesprekken met de studenten. Ik probeer aan de hand van de kringgesprekken zicht te krijgen op wie de studenten zijn, waarom ze voor deze opleiding kozen, wat hen bezig houdt,…

    Tijdens het eerste jaar maken studenten op basis van eigen reflecties hun onderwijsbiografie. Hierdoor krijgen we zicht op de schoolloopbaan die een student tot nu toe doorlopen heeft, alsook op de beleving van de student hierbij. De onderwijsbiografie hanteren we als uitgangspunt voor een gesprek tussen student en lerarenopleider.

    Om de studenten te observeren, hanteer ik een aantal richtvragen:

    • Wat is de interessesfeer van de studenten?
    • Welke kennis en vaardigheden (ook niet-schoolse) bezitten de studenten reeds?
    • Gedragen de studenten zich als één groep? Zijn er subgroepen? Hoe verhouden die subgroepen zich ten opzichte van elkaar?
    • Welke omgangsvormen hanteren de studenten?
    • Wat zijn de statusposities van de studenten?

    Binnen de lerarenopleiding werken we met leergroepen van een vijftiental studenten. De leergroepen tellen als een opleidingsonderdeel en komen 4 à 5 keer samen in een academiejaar. Een vaste lerarenopleider begeleidt de leergroepen waardoor deze de kans krijgt om de groep studenten beter te leren kennen. Tijdens de leergroepen treden we vooral in gesprek met de studenten rondom een aantal thema’s bvb. de verschillen in onderwijsvisie.

    In kader van stagebegeleiding voer ik individuele gesprekken met studenten.

    Het werken met supervisiegroepen zorgt ervoor dat ik studenten op een andere manier leer kennen.

    Sterktes en zwaktes worden afgeleid uit de presentaties die studenten doen.

    Waar mogelijk gaan er naast de formele, informele contacten door.

    Ik schep voldoende ruimte om zicht te krijgen op het leervermogen, de leerstijl, de taalvaardigheid, talenten, sociaal-emotionele ontwikkeling, leefwereld en buitenschoolse interesses van studenten. Niet enkel wat en hoe studenten leren, maar ook hun eigen interesses, manieren van denken, sociale relaties,… maken deel uit van het beeld dat ik van mijn studenten probeer te vormen.

    Wanneer ik studenten tegenkom in de cafetaria, sla ik met hen een praatje. Het hoeft daarom niet altijd over de lessen te gaan. Gewoon een luisterend oor bieden voor waar ze nu mee bezig zijn, kan me helpen om hun leefwereld beter te leren kennen.

    Ik laat kansen om de diversiteit eruit te laten komen en als een meerwaarde te beschouwen van mijn onderwijs. Bijvoorbeeld in het project diversiteit zijn talenten duidelijk te zien en vaak is dat verrassend. De studenten zeggen dat ze zich hebben kunnen uitleven en ze appreciëren dit.

    Ik vind het belangrijk dat ik mijn blik op mijn studenten en hun mogelijkheden open houd. Het risico dat mijn handelen bepaald wordt door mijn –soms negatieve- indruk van de achtergrond van de studenten is reëel. Ik ben me ervan bewust dat mijn perceptie van de student en hun achtergrond mijn verwachtingen beïnvloedt. En via deze verwachtingen ook mijn gedrag, zowel in positieve als in negatieve zin. Daarom sta ik regelmatig stil bij hoe ik over de studenten denk en probeer ik mijn perceptie te staven aan de hand van concrete voorbeelden.

  • Je hebt oog voor de noden en behoeften van studenten.
    --

    Ik heb aandacht voor de financiële situatie van alle studenten. Dit betekent niet noodzakelijk dat ik op de hoogte ben van de financiële situatie van elke student, tenslotte behoort dit tot de privésfeer, maar ik let er wel op om de kosten niet te laten oplopen. Ik maak bvb. enkel kopieën van zaken die studenten zeker nodig hebben en kopieer recto verso. Op die manier hoop ik dat de kosten voor kopieën niet te hoog oplopen.

    Ik houd rekening met feestdagen en culturele gewoontes van studenten en beschouw dit als een rijkdom.

    Als iemand een les niet kon volgen, verwijs ik niet enkel door naar medestudenten, maar ben ik zelf ook beschikbaar voor extra uitleg.

    Ik voorzie op vrijwillige basis extra contacturen voor studenten bvb. voorzien van uurtje om vragen te stellen. extra les plannen als ik merk dat er knelpunten worden vastgesteld bij studenten.

    Ik benadruk dat studenten bij mij in alle vertrouwen terecht kunnen met hun vragen. Dit jaar hadden we een moslim die graag een plaats had om zijn gebeden uit te voeren. Binnen de opleiding hebben we bekeken hoe we dit zouden kunnen oplossen. Naar aanleiding van de vraag werd er een lokaal voorzien waar moslimstudenten kunnen bidden.

    Studenten met dyslexie krijgen meer tijd om hun examens af te leggen. Het cursusmateriaal wordt ook digitaal ter beschikking gesteld zodat een voorleesprogramma de studenten kan helpen bij de verwerking van de leerinhouden.

    Studenten met een taalachterstand kunnen instappen in een taalcoachingstraject. Er worden workshops georganiseerd, zowel voor als door de studenten.

  • Je hebt aandacht voor de sociale relaties zoals wisselende statusposities, vriendschappen en conflicten tussen studenten.
    --

    Ik heb aandacht voor de relatie tussen de studenten. Wanneer ik problemen bespeur bij bvb. een groepswerk, spreek ik de studenten aan en probeer ik samen met hen tot een oplossing te komen.

    Ik ga aan de hand van peerassessment na hoe de samenwerking verliep bij groepsopdrachten.

    Studenten kunnen zelf aangeven met wie ze een duostage willen lopen.

    Binnen groepsdynamica gaan we bepaalde zaken toepassen op de studenten zelf. Zo hanteren we bvb. de roos van Leary om na te gaan wat eigen voorkeurhoudingen en voorkeurhoudingen van medestudenten zijn.

    Ik engageer me om betrokken te zijn bij activiteiten die studenten organiseren of die uitgaan van de studentenclub bvb. door te helpen bij een kerstfeestje. Studenten appreciëren dit enorm en het biedt mezelf de mogelijkheid om de studenten op een andere manier te leren kennen.

  • Je probeert zicht te krijgen op de verschillende competenties van studenten.
    --

    Ik houd er rekening mee dat studenten geen onbeschreven blad zijn wanneer ze bij ons les volgen. Studenten hebben reeds een heel traject achter de rug, zowel binnen een schoolse context (specifieke vooropleiding, keuzevakken,…) als daarbuiten (competenties opgedaan in hun vrije tijd bvb. jeugdbeweging, zelfstudie,…).

    Ik probeer zo veel mogelijk gebruik te maken van de voorkennis van studenten. Onder andere door in te gaan op spontane reacties van studenten, overleg te hebben met collega’s over studenten,…

    Binnen het vak groepsmanagement starten we met een analyse van gemeenschappelijke sterktes. Op het einde van het academiejaar kijken we naar de evolutie die we als groep maakten. Dit kan omdat de groep relatief klein is (ongeveer 20 studenten) en vaak samen les heeft waardoor studenten elkaar goed kennen en zich veilig voelen in de les.

    De studenten houden een stageportfolio bij. Op die manier krijgen studenten niet enkel zich op hun eigen competenties, ook ik kan de studenten vanuit een ander perspectief bekijken.

    Ik ben bereid om niet enkel te kijken naar de zaken die ik binnen mijn opleidingsonderdeel moet evalueren, andere zaken zoals bvb. creativiteit kunnen echt bijdragen tot het geven van goede lessen.

    Ik stimuleer studenten om tijdens stages ook buitenschoolse competenties binnen te brengen in de lessen die ze geven. Zo behoort breien niet meer tot het leerplan van het lager onderwijs, maar heeft een student hier toch les over gegeven.

    Ik laat studenten zelf hun competenties naar voor brengen. Ik gebruik werkvormen waarbij ik een beroep doe op de verschillende competenties (sociale, talige, creatieve, …) van studenten.

    Studenten houden een logboek bij. Aan de hand van stagegesprekken leer ik mijn studenten vaak op een andere manier kennen.

    Op regelmatige tijdstippen bekijk ik de kijkwijzer breed observeren. Ik ga na in welke mate ik per competentie een voorbeeld voor ogen kan houden. Als ik bij bepaalde competenties niets kan bedenken, betekent dit dat ik meer ruimte in mijn lespraktijk moet creëren om aan de desbetreffende competentie te werken / in kaart te brengen.