Normaliteit

Diversiteit zien als een normaal fenomeen waar iedereen dagelijks in verschillende situaties mee te maken krijgt

Diversiteit is alomtegenwoordig. Het is een basiskenmerk van een democratische samenleving. We kunnen en mogen op alle mogelijke manieren van elkaar verschillen. Dit houdt geen waardeoordeel in. Het gaat hier enkel om de vaststelling en principiële aanvaarding van een feitelijke situatie, die plezierig, boeiend en leerrijk kan zijn, maar evengoed verwarrend, vreemd of onaangenaam.

Subcompetenties

  • De student vindt het normaal dat er verschillen zijn tussen mensen (verschillende gezinsvormen, culturen, huidskleuren, huizen, …).
  • De student accepteert de ander, ook als die op het eerste zicht “anders” is.

Omgaan met diversiteit in het beroepsprofiel en de basiscompetenties van de leraar

1. Functioneel geheel 1: de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

1.1 De beginsituatie van de kleuters / leerlingen en de groep achterhalen

1.7 Realiseren van een ontwikkelingsbevorderende omgeving met aandacht voor de heterogeniteit van de groep

2. Functioneel geheel 2: de leraar als opvoeder

2.2 De emancipatie van de kleuter / de leerlingen bevorderen

Evalueren & observeren

Als veel studenten (niet) goed scoren met betrekking tot deze competentie, hoe zou je dit kunnen verklaren?

Deze competentie kan je observeren tijdens gewone lesmomenten o.a. tijdens onderwijsleer-gesprekken, interactieve opdrachten, maar ook op andere gelegenheden zoals tijdens uitstappen, projectweken, stages e.d.m.

Om deze competentie te observeren, is het belangrijk om voldoende openheid en gelegenheid te creëren waarbij studenten met de aanwezige diversiteit om kunnen gaan. Zie deelinstrument lerarenopleider, luik inspiratie, doel “Als lerarenopleider benader je diversiteit op een positieve manier”.

Probeer ook een voldoende “breed” beeld van je studenten te vormen. Heb je onder andere zicht op de verschillende vaardigheden en interesses van de studenten, weet je waar ze mee bezig zijn buiten de opleiding, … Je eigen perceptie van de student en zijn / haar achtergrond beïnvloedt de verwachtingen die je ten aanzien van de student hebt en je houding ten aanzien van de student. Sta regelmatig stil bij hoe je over de  studenten denkt en probeer je perceptie te staven aan de hand van concrete voorbeelden.

Een aantal richtvragen die je kan hanteren zijn:

  • Brengen studenten spontaan begrip op voor andere meningen, ideeën, gedrag, …?
  • Staan studenten erg afwijzend of veroordelend t.o.v. situaties, uitspraken die “anders” zijn?
  • Gedragen de studenten zich als één groep? Zijn er subgroepen? Hoe verhouden die subgroepen zich ten opzichte van elkaar?
  • Hoe is de verhouding met medestudenten?
    • Krijgt iedereen de ruimte om zichzelf te zijn?
    • Worden er studenten gepest, uitgelachen of uitgesloten?
    • Kan iedereen zijn of haar “ei” kwijt, of zijn er studenten die nooit het achterste van hun tong (kunnen) laten zien?
  • Hebben studenten het moeilijk om samen te werken met bepaalde studenten? Laten ze dat openlijk blijken? Hoe komt dit? Heb je hier een verklaring voor?
  • Welke omgangsvormen hanteren de studenten?
  • Wat zijn de statusposities van de studenten?
  • Heb je zicht op de verschillende competenties van de studenten?

Voor meer tips verwijzen we naar het instrument op het niveau van de lerarenopleider, luik inspiratie, doel “Je hebt als lerarenopleider consequent aandacht voor diversiteit in de groep, de instelling en daarbuiten.”.

Observatieschema:

Lesinhoud / context:

 

Groep:

Beoordelaar:

 

 

Competentie: diversiteit zien als een normaal fenomeen waar iedereen dagelijks in verschillende situaties mee te maken krijgt

 

 

Subcompetentie

 

 

Datum

 

-

 

 

 

 

+/-

 

+

 

++

 

Waarom deze score?

Staaf met illustraties / voorbeelden.

 

 

De student vindt het normaal dat er verschillen zijn tussen mensen (verschillende gezinsvormen, culturen, huidskleuren, huizen, …)

 

 

 

 

 

 

 

 

De student accepteert de ander, ook als die op het eerste zicht “anders” is.

 

 

 

 

 

 

 

        

 -           Moet verbeteren, er wordt meer verwacht

+/ -      Aanvaardbaar

+          Goed, voldoet aan de verwachtingen

++       Uitstekend, overtreft de verwachtingen

Activiteiten

Interpreteren & analyseren

    • Hoe ga je als lerarenopleider zelf om met de aanwezige diversiteit in je groep. Heb je zicht op de verschillende interesses, vaardigheden, … van je studenten? Weet je waar ze mee bezig zijn, ook buiten de opleiding?
    • Maak je van die diversiteit gebruik in je lessen, zodat studenten de kans krijgen om met de aanwezige diversiteit om te gaan?
    • Laat je ruimte voor discussie, gesprekken rond dit thema?
    • Laat je voldoende ruimte voor studenten om met elkaar in interactie te gaan zodat de diversiteit naar boven kan komen?
    • Zien studenten dat er naast veel verschillen ook veel gelijkenissen zijn in de groep?
    • Worden studenten aan de hand van het cursusmateriaal in contact gebracht met diversiteit? Cf. instrument op het niveau van de lerarenopleider, luik inspiratie, doel “als lerarenopleider integreer je diversiteit in het totale onderwijsleerproces van studenten”, subdoel “Je screent je lesmateriaal op omgaan met diversiteit (diversiteitstoets)”.

Mogelijke acties

Wil je met je studenten verder werken aan deze competentie, dan kan je dat op verschillende manieren doen. Je kan je didactisch handelen in de lespraktijk zo organiseren dat de studenten binnen jouw vak heel wat gelegenheden krijgen om met diversiteit om te gaan, zonder dat dat expliciet zo benoemd wordt.

Openheid voor de aanwezige diversiteit kan je op volgende manieren bekomen:

  • Stimuleer een positieve evaluatie van verschil en verscheidenheid.
  • Zoek naar en onderstreep overeenkomsten.
  • Stimuleer uitdrukkelijk de eigen inbreng van studenten:
    • Geef studenten een forum om zelf aan te geven wat zij onder diversiteit verstaan en hoe we hiermee om kunnen gaan. Zo ontstaan er interessante discussies. Wat doet men bvb. als men een kind met autisme in de klas heeft?
    • Start de les met een vragenronde. Dit is zeker nuttig wanneer studenten uit hun stage komen.
    • Geef studenten het gevoel dat ze hun mening kunnen uiten, ook al wijkt die misschien af van wat op dat moment de heersende waarden of normen zijn.
    • Wees bereikbaar voor vragen van studenten.
    • Grijp uitspraken van studenten of incidenten aan om dieper in te gaan op bepaalde onderwerpen. Probeer het gesprek open te trekken naar de hele groep. Ook als ‘hete momenten’ ontstaan als gevolg van een dynamiek die niets te maken heeft met de lesinhoud, is het belangrijk het gesprek aan te gaan.
    • Laat studenten zelf kiezen hoe ze iets zullen presenteren. Bvb. naar aanleiding van projectweek diversiteit. De presentaties zijn uiteenlopend: toneeltjes, PowerPoint,…

Meer tips vind je in instrument van het niveau van de lerarenopleider, doel "als lerarenopleider integreer je diversiteit in het totale onderwijsleerproces van studenten", subdoel "Je stimuleert uitdrukkelijk de eigen inbreng van de studenten"

Concrete inhouden & activiteiten

Meer theoretische achtergrond over de begrippen “cultuur” en “identiteit” vind je in de brochure “Allemaal anders, allemaal gelijk”  (pg 16-18).

Onder andere:

  • Discussie opzetten over verschillen en discriminatie (Hoofdstuk 2: Verschillen en discriminatie begrijpen)
    • Wat betekent het woord cultuur voor jou?
      • Wat definieert men als “goed”, wat als “slecht”?
      • Hoe zien de familiestructuren eruit?
      • Wat is de relatie tussen man en vrouw?
      • Hoe ervaart men tijd?
      • Welke tradities zijn belangrijk?
      • Welke talen worden gesproken?
      • Welke regels gelden op het gebied van eten en drinken?
      • Hoe deelt men informatie?
      • Wie heeft macht en hoe krijgen zij die?
      • Wat zijn de reacties op andere culturen?
      • Wat is grappig?
      • Welke rol speelt religie?
  • Neem één van de hierboven vermelde vragen. Hoe zouden je grootouders hierop geantwoord hebben?
  • Als er verschillende culturen bestaan, wil dit dan zeggen dat sommige beter zijn dan andere?
  • Tot welke subcult(u)r(en) behoor je?
  • Bekend zijn met een andere realiteit.
    • Wat weten we van andere culturen en levensstijlen?
      • Hoe hebben we onze informatie over ander culturen, gemeenschappen en landen verkregen?
      • Hoeveel van die informatie is ook effectief waar en hoeveel bevooroordeelde ideeën bereiken ons langs verschillende wegen?
      • In welke mate moeten we ons sceptisch opstellen tegenover beelden en informatie die ons door de massamedia worden voorgeschoteld?
      • Hoe kunnen we te weten komen hoe het werkelijk voelt om in iemands schoenen te staan?
  • Welke factoren zorgen ervoor dat verschillen tussen mensen als negatief bestempeld worden?
  • Je vindt er ook tal van uitgewerkte activiteiten. O.a. domino (p79), persoonlijke helden (p130), verscheidenheid ontdekken (p134), Zoeken naar overeenkomsten, en verschillen ontdekken, p148

Bijkerk, L. & Van der Heide, W. (2006). Het gaat steeds beter! Activerende werkvormen voor de opleidingspraktijk. Houten: Bohn Stafleu van Loghum. O.a. knowing me, knowing you (p229)

Uitwerking

Lenny Gerinckx

Projectmedewerker “Bruggen bouwen voor gelijke onderwijskansen”, Steunpunt Diversiteit en Leren

Dank aan Amal Ouahab voor de vormgeving aan de activiteiten Medewerker vanuit de lerarenopleiding UGent, tevens verbonden aan de Arteveldehogeschool.

Bronnen:

De uitwerking kwam tot stand i.s.m. de lerarenopleidingen van de partnerinstellingen van het project “Bruggen bouwen voor gelijke onderwijskansen”.